Geschiedenis Curacao

Geschiedenis van Curacao

De vroegste bewoners zijn waarschijnlijk rond 2500 v. Chr. vanuit Venezuela geëmigreerd. De oudste archeologische vindplaats uit deze periode ligt in de kalksteenterrassen achter het vliegveld. Hier hebben archeologen eenvoudige gereedschappen gevonden, gemaakt van steen en schelpen, alsmede enkele van de oudste Indiaanse overblijfselen die ooit in het Caraïbische gebied zijn gevonden. Rond 500 v. Chr. kwamen de Caiquetío-indianen – die dezelfde taal spraken als de Arawak-indianen – waarschijnlijk ook vanuit Venezuela naar Curaçao. Zij woonden in paalhutten en maakten sieraden, potten van aardewerk, en gereedschap van schelpen, stenen en botten. Verspreid over het eiland zijn zes van dergelijke dorpjes opgegraven, te weten bij het huidige Kenepa, Santa Cruz, San Hironimo, San Juan, De Savaan en Santa Barbara (momenteel zijn deze vindplaatsen niet toegankelijk voor het publiek). Hun rotstekeningen zijn goed bewaard gebleven en zijn goed te zien bij het Christoffelpark en de Grotten van Hato.

Toen de Spanjaarden arriveerden, leefden er naar schatting zo’n 2000 Caiquetío-indianen op Aruba, Bonaire en Curaçao. Volgens de legende waren de nogal kleine Spanjaarden geïmponeerd door de lengte van de indianen, waardoor ze Curaçao aanvankelijk la isla de los gigantes (‘het eiland van de reuzen’) noemden.


De Spaanse verovering
De eerste Europeanen op Curaçao waren waarschijnlijk een groep Spaanse ontdekkingsreizigers, die in mei 1499 samen met de zeevaarder Alonso de Ojeda – een luitenant-ter-zee van Christoffel Columbus – voet aan land zetten, hoewel de historici het er niet over eens zijn of zij ook daadwerkelijk aan land zijn gegaan. In september van datzelfde jaar zette de vermaarde zeevaarder Amerigo Vespucci samen met Juan de la Cosa voet aan wal. Hij was de eerste Europeaan die een beschrijving gaf van het eiland.
Omstreeks 1526 hadden de Spanjaarden hun wettige bestuur opgezet en bleven 125 jaar lang aan het bewind. Vanuit Curaçao bestuurden zij ook het naburige Bonaire, waar zij een grote zoutmijn oprichtten (die nog steeds in bedrijf is), en Aruba.


Nog een nalatenschap is hun godsdienst. In tegenstelling tot de protestantse kolonisten uit Europa, zoals de Nederlanders, zetten de Spanjaarden zich vurig in om de zielen te redden van de volkeren die zij onderwierpen. Zelfs nadat de Nederlanders het eiland hadden ingenomen, bleven Spaanse priesters slaven en hun nakomelingen fanatiek bekeren tot het katholicisme, met als resultaat dat Curaçao een van de weinige plaatsen buiten Afrika is waar het merendeel van de zwarte bevolking katholiek is.

De Nederlandse handel
Gretig als zij waren om een aandeel te bemachtigen in de handel met de Nieuwe Wereld – die grotendeels in Spaanse handen was – richtten Hollandse kooplieden een handelsmaatschappij op: de West-Indische Compagnie (WIC). (Een gelijksoortige maatschappij, de Oost-Indische Compagnie, had Indonesië onder Nederlands bewind gebracht.) De Nederlanders waren zeer geïnteresseerd in de zoutpannen op Curaçao en Bonaire, omdat zij grote hoeveelheden zout nodig hadden om vis te conserveren. De belangrijkste reden waarom de WIC belangstelling had voor het eiland, vormden echter de natuurlijke eigenschappen: een beschermde diepwaterhaven, wat een ideale marinebasis was, en de strategische ligging nabij het Zuid-Amerikaanse vasteland.

De Nederlanders veroverden Curaçao vrij gemakkelijk. Op 29 juli 1634 zeilde Johan van Walbeeck de Sint-Annabaai binnen met een kleine vloot en slechts een paar honderd man. De Spanjaarden boden zeer weinig tegenstand: zij maakten waterputten onbruikbaar en verbrandden hun dorpjes. De Nederlanders deporteerden de Spanjaarden naar het vasteland samen met zo’n 400 indianen, van wie er ongeveer 75 achterbleven als arbeiders.

Zolang de Tachtigjarige Oorlog tussen Nederland en Spanje nog woedde, was Curaçao in de eerste plaats een marinebasis. Het eerste blijvende bouwwerk was het eenvoudige Waterfort, dat in 1634 werd gebouwd aan de ingang van de haven bij Punda. Later werd het grotere Fort Amsterdam gebouwd met het hoofdkwartier van de directeur van de WIC, die de plaatselijke bewindvoerder werd. Tot aan de dag van vandaag is het Fort Amsterdam de zetel van de regering.

Toen Nederland en Spanje in 1648 de Vrede van Munster ondertekenden, werd Curaçao minder belangrijk als marinebasis en ontwikkelde het eiland zich tot een handelscentrum. Minder dan vijftig jaar nadat de Nederlanders Curaçao hadden veroverd, verklaarden zij het eiland tot vrijhaven en begonnen zij de handel in het hele gebied te bevorderen. Vrij snel ontstond er een bruisende bedrijvigheid in de natuurlijke diepwater haven. Vanaf het midden van de 17e eeuw was Curaçao het middelpunt van het Nederlandse handelsimperium op het westelijk halfrond.
Welvarende Nederlandse en joodse kooplieden dreven een bloeiende handel met het nabijgelegen Zuid-Amerika, hoewel deze handel officieel door Spanje verboden was.

De Fransen en de Engelsen
Gedurende de hele 17e en 18e eeuw hebben rivaliserende Europese landen hun economische en politieke machtsstrijd uitgevochten in het Caraïbische gebied. Maar omdat de Nederlanders hun vesting goed beveiligd hadden, had Curaçao weinig te duchten van de piraterij, die in deze onstuimige tijden gemeengoed was in de rest van het Caraïbische gebied. Toch hebben Franse en Engelse avonturiers nog een aantal pogingen gedaan om het eiland te veroveren.

De Slavenhandel
De Nederlanders vervulden al snel een prominente rol in de internationale slavenhandel. De WIC nam de belangrijkste Portugese handelsposten aan de westkust van Afrika over, kocht tot slaaf gemaakte Afrikanen op en vervoerde hen naar Curaçao en Brazilië, waar ze verkocht werden aan rijke plantagebezitters uit alle delen van de Nieuwe Wereld. Curaçao werd een van de grootste slavendepots in het Caraïbische gebied.
Er bleven relatief weinig Afrikaanse slaven op Curaçao. Als gevolg van het droge klimaat zijn er op het eiland nooit grootschalige plantages geweest.

De grootste slavenopstand op Curaçao begon op 17 augustus 1795 toen zo’n vijftig slaven, onder leiding van Tula en Carpata, op de plantage Kenepa in opstand kwamen. Later sloten meer dan duizend andere slaven van de nabijgelegen plantages zich bij hen aan. De leiders werden enerzijds geïnspireerd door berichten over grote slavenopstanden elders in het Caraïbische gebied, en anderzijds door de vrijheidsidealen van de Franse Revolutie en de onlangs verkregen onafhankelijkheid van Haïti – het eerste land ter wereld waarvan het merendeel van de bevolking zwart was.
Uiteindelijk werden de leiders gevangen genomen en geëxecuteerd bij het Rif, achter het huidige Holiday Beach Hotel. Op deze plaats ligt tegenwoordig een parkje met een standbeeld ter nagedachtenis.

Toen de slavernij in 1863 werd afgeschaft kregen bijna 7000 mensen hun vrijheid terug. Voor veel tot slaaf gemaakte Curaçaoënaars bestond de vrijheid echter louter uit een formele verklaring. De meesten bleven op de velden werken als deelpachters, volgens een systeem dat op het eiland bekend stond als het ‘paga tera’ (betaal voor het stuk grond). Na verloop van tijd vestigden sommige bevrijde negers zich als zelfstandige ambachtslieden en lokale handelaren. Toen de vrijgekomen slaven en hun nakomelingen het platteland verlieten, schiepen zij een dynamische stadscultuur in de smalle steegjes van Otrobanda.

De 20e-eeuwse ontwikkeling
Door de ontdekking van grote olievelden in Venezuela aan het begin van deze eeuw veranderde Curaçao in een paar jaar tijd van ‘een kwakkelend eiland’ – zoals de Nederlanders het waren gaan noemen – tot een bruisend, kosmopolitisch centrum. De rijke Venezolaanse olievelden lagen in een baai die niet diep genoeg was voor grote overzeese olietankers, maar ze lagen wel dichtbij de natuurlijke diepwater haven van Curaçao.
De Koninklijke Shell begon in 1915 met de bouw van een grote olieraffinaderij, en de ingebruikname ervan in 1918 betekende een complete verandering voor Curaçao.

Het eiland werd van de ene op de andere dag een internationaal centrum, en de zelfstandige ambachtslieden veranderden in een onvervalste arbeidersklasse. Er kwamen duizenden immigranten uit het Caraïbische gebied en zelfs helemaal uit Portugal om in de raffinaderij te werken. De bevolking nam plotseling enorm toe, net als de welvaart van de arbeiders van de raffinaderij. Dit was een stimulans voor praktisch elk segment van de economie, variërend van de handel tot de bouw.

Na de Tweede Wereldoorlog
De welvaart duurde voort tot na de Tweede Wereldoorlog. Aangezien heel Europa bezet of belegerd was, kwam bijna alle brandstof voor de geallieerde vliegtuigen van de raffinaderij op Curaçao, die per slot van rekening Nederlands was. Amerikaanse militairen werden hier gestationeerd om de kostbare brandstof te beschermen, terwijl Duitse onderzeeërs in de omringende wateren op de loer lagen.

Als gevolg van de toegenomen politieke en economische zelfstandigheid die de eilanden gedurende de oorlog genoten, kregen de Nederlandse Antillen in 1954 een autonome status binnen het Koninkrijk der Nederlanden toegekend. Voor het eerst in de geschiedenis werd op de Nederlandse Antillen een zelfstandig bestuur geïnstalleerd, waarvan de leden door het volk werden gekozen. Ook elk eiland vestigde zijn eigen bestuur. Toch behoren de eilanden tot op de dag van vandaag bij Nederland, dat verantwoordelijk is voor defensie en buitenlandse politiek.

nl_NLDutch